Info Terlingen

Toen ik heel lang geleden met de stamboom Terlingen begon dacht ik een poos dat ik als enige met de familie bezig was. Maar gelukkig, op enig moment kreeg ik contact met Constance Terlingen en die bleek druk bezig in Amsterdam. We wisselden elkaars gegevens uit (veel Amsterdamse gegevens zijn van haar afkomstig, dank dank) en we bleven door de jaren heen contact houden. Helaas noodzaakte een visuele handicap haar het onderzoekwerk de laatste tijd op een laag pitje te zetten.

Waar komt de naam Terlingen eigenlijk vandaan?
Geen idee, maar op mijn zoektocht daarnaar kwam ik ooit in de De Navorscher (een algemeen historische tijdschrift 1851-1960) het volgende tegen en ik neem dat onverkort over:

1858 deel VIII blz 2
Vraag 9: Terningen en terlingen. In de schutmeesters rekening van Sweder de Voecht, 1480, voorkomende in de Kronijk van het Historisch Genootschap te Utrecht, zesde jaargang vindt men, onder andere, aangeteekend: "Item van 1m ijzeren terningen in haecbuscloten te gieten," enz. en "van hondert terningen die men in serpentgenen cloten goet, xxvij pont wegens," enz. Voorts in de bekende ordonnantie op de zeevaart van Keizer Karel den Vde, 1549, te vinden als bijlage achter het 2de deel van Hollands Rijkdom, door Luzac, art. IV, wordt de uitrusting van schepen van verschillend charter bepaald, en onder de munitien treft men aan: "Hagelgeschut, Vierwerck, IJseren, Terlingen, Darden, enz.". Nu is het blijkbaar dat hier de comma tusschen IJseren en Terlingen te veel is, men vraagt: wat zijn ijzeren terningen of terlingen?

Het antwoord op blz. 121:
Terningen en terlingen. Het eerste schijnt mij toe eene verbastering van het tweede, en de beteekenis "teerlingen" te zijn. Behalve dat men stalen teerlingen in de looden kogels goot, laadde men die ook afzonderlijk in bussen en zinkroeren, voornamelijk om door de borstplaten der wapenrusting te schieten. In het Fransch noemde men ze quarreaux d'acier. Van hier ook heetten de groote borstpijlen, die van de springalen geschoten werden, "quareelen" omdat ze aan het uiteinde van eenen, ruitsgewijze daarop bevestigden, staalen teerling waren voorzien.

Het kan dus een beroepsnaam zijn voor de maker van te(e)rlingen.

In diezelfde Navorscher komt in 1890 op blz. 178 het woord ‘terlingen’ nog een keer voor in de volgende context:
Napelen. Met valsche steenen dobbelen. Nijhoff, Bijdragen, Nieuwe Reeks, II, 225: boeverien, die sie mit malcander, so siet eens weren, onder den coepman bedreven hadden ruit quaden terlingen, mit negensticken, mit quaerten, mit riemsteken en ander boeverien, mit napelen.

Dus een bijnaam voor een dobbelaar!

Andere ideeen? Laat het weten.