Armenzorg Buurmalsen

Armenzorg in het begin van de 17e eeuw in Buurmalsen

Ten behoeve van een langjarig onderzoek naar de emigratie uit het Rivierenland naar het toenmalige Nieuw-Nederland, nu de staat New York, rond 1630 en later wilde ik weten of sommigen uit armoede vertrokken.
En zo kwam ik op de armenrekeningen van Buurmalsen uit die tijd. Ze bleken aanzienlijk interessanter dan ik in eerste instantie dacht. Vandaar onderstaand artikel dat aangevuld is met opmerkingen tijdens een lezing over dit onderwerp bij de Historische Kring West-Betuwe op 11 oktober 2016.

Armenzorg?
Wanneer was je arm? Hoe kon je in je levensonderhoud voorzien? Wie hielpen jou en zorgden voor je? En hoe kwamen die weer aan hun geld om jou te helpen? De armenzorg in het begin van de 17e eeuw in Buurmalsen bleek een veelomvattend onderzoek.

Hoe zag de bevolking er uit begin 17e eeuw?
Eerst maar eens kijken naar de bevolking in die tijd. Het was toen nog een standenmaatschappij.

  1. Je had allereerst de hoge adel zoals koning Filips de 3e, de edelen zoals Prins Maurits en zijn zuster Maria van Nassau die op het kasteel in Buren woonde.
  2. Vervolgens de lage adel en regenten of bestuurders zoals drost Philips van Steelant, de plaatsvervanger van de graaf van Buren. Anderen kochten zich een weg omhoog door een heerlijkheid te kopen of werden benoemd in het stadsbestuur.
  3. De kleine burgerij: kooplieden, boeren met een stukje land etc., vissers enz.
  4. De smalle gemeente: mensen zonder eigen bezit, arbeiders die hun arbeidskracht verhuurde;
  5. Het grauw: iedereen die niet meer voor zichzelf konden zorgen doordat ze de middelen niet hadden, bij voorbeeld de armen, gehandicapten en ouden van dagen.

De grenzen waren vloeibaar: je kon zomaar van een bezit hebbende door natuurrampen of persoonlijk letsel in armoede vervallen. Anderzijds gaf de economische expansie in de Gouden eeuw ook de gelegenheid om uit die armoede te komen. Wie kent niet de tulpenmanie waarbij velen hoopten rijk te worden. Of dat ook in Buurmalsen van toepassing is geweest?

Cornelis en Trijntje
Als voorbeeld voor ons verhaal nemen we een denkbeeldig echtpaar: Cornelis en Trijntje. Het bestaansrecht in de dorpen zoals Buurmalsen zal in die tijd grotendeels bestaan hebben uit akkerbouw en veeteelt met misschien wat visserij op de Linge. Industriële werkgelegenheid lijkt er (nog) niet te zijn. Lijkt schrijven we want verderop zullen we zien dat er sprake is van een panoven bij het dorp. Dus toch nog een begin van industrie?

Ook onze Cornelis richt zich op de akkerbouw. Hij pacht jaarlijks een stukje land en zaait dat in. Trijntje heeft twee koetjes geërfd van haar vader en soms kunnen ze wat melk verkopen. Samen met de oogst levert dat voldoende geld op om van te leven en de pacht te kunnen betalen. Trijntje en Cornelis behoren daarmee tot de kleine burgerij.

Maar helaas, je kunt je niet wapenen tegen natuurgeweld. Doordat dijken doorbreken ontstaan overstromingen waardoor de hele oogst van Cornelis verloren is gegaan. En Cornelis heeft ook geen geld meer om de pacht van volgend jaar opnieuw te kunnen betalen, laat staan zaaigoed te kopen. Er zit niets anders op dan zichzelf te gaan verhuren als boerenknecht. Maar dat worden lange dagen! Hij moet zomers beginnen om 4 à 5 uur en werken tot 9 uur in de avond.
Maar in de winter (als er al werk was), begint hij een uur later tot 7 uur in de avond. Korter werken dus maar ook minder verdienen daardoor. Gelukkig is hij sterk en willen de boeren hem graag hebben. Zo kan hij toch de kost verdienen. Hij is daarmee wel gedaald van de kleine burgerij naar de smalle gemeente.

Helaas, een ongeluk komt nooit alleen. Terwijl hij werkt in de hooiberg van een boer valt er een balk omlaag, precies op zijn arm waardoor die breekt. De chirurgijn spalkt de arm maar Cornelis wordt niet meer de oude doordat ook zijn schouder ernstig beschadigd is. Boeren huren hem niet meer in zodat hij geen inkomsten meer heeft. Als klap op de vuurpijl moeten ze de twee koetjes verkopen. Van de opbrengst kunnen ze het nog even volhouden maar ook dat geld raakt op. Nauwelijks te eten en de huur moet ook betaald worden. Trijntje doet de was voor anderen maar daarmee verdient ze niet genoeg om van te leven. Het gezin is geheel afhankelijk van anderen geworden. En zo komt het echtpaar van de kleine burgerij afdalend via de smalle gemeente naar het grauw. Eigenlijk geheel buiten hun schuld. Tot overmaat van ramp overlijdt Cornelis ook nog zodat Trijntje helemaal alleen achterblijft. Welke mogelijkheden heeft Trijntje nu om te voorzien in haar levensonderhoud?

Mogelijke steunvormen
Natuurlijk begint het zoeken van steun bij de toenmalige “mantelzorgers”: familie en buren, goede kennissen enz. Maar als die het ook niet breed hebben wordt het steeds lastiger om het hoofd boven water te houden. Welke mogelijkheden er dan zijn hebben we hier gevisualiseerd:

  1. Bedelen langs de huizen maar dat was formeel niet toegestaan
  2. Naar de lommerd (vaak de herbergier) om huisraad te belenen maar dat was uitstel van executie als er geen verbetering in de persoonlijke situatie kwam)
  3. Aansluiting zoeken bij andere armen en zo als groep actief worden
  4. Uit stelen of roven gaan met als risico dat je gepakt werd en ter dood veroordeeld werd
  5. Naar de diaconie van de kerk om een uitkering: maar we weten niet of die er al rond deze tijd was in Buurmalsen. Overigens richtte de diaconie zich specifiek op de eigen leden: de lidmaten dus.
  6. Naar de armenzorg: de Heilige Geestmeesters. Die waren al heel lang actief, ook in ons Buurmalsen!

Armoede maakte een vast onderdeel uit van het bestaan en het voorstellingsvermogen van de 17e eeuwse bewoners. En voor hen was het duidelijk: vandaag hij, morgen ik. Je liep net als Trijntje altijd de kans om tot armoede te vervallen en dan wilde jij ook graag geholpen worden.
Dus als je wat bezat gaf je aan armenzorg: bedelaars, steunverlening aan je buren of dorpsgenoten, collecten, speciale belastingen of via een testament of een schenking.
Men onderscheidde in die tijd twee soorten armen:

•  Zij die het slachtoffer waren van de omstandigheden;
•  Zij die zich niet in wilden spannen en het er gemakkelijk van namen, de klaplopers.

Allerlei groeperingen konden tot armoede vervallen:

•  Degenen die geen werk konden vinden om allerlei redenen;
•  Gedeserteerde soldaten;
•  Slachtoffers van plundering;
•  Vluchtelingen voor b.v. oorlog of godsdienst;
•  Wanhopigen, zij die er geen gat meer in zien en vervallen tot apathie.

Rondtrekkende armen vormden een plaag voor een dorp. Er trokken hele groepen armen rond die als ze niets kregen het gewoon namen: roven, stelen, plunderen, het kwam allemaal voor. Een kip, appels, een brood, de archieven staan er vol mee schrijft professor Van Deursen.

Vandaar dat regelmatig plakkaten (wetten) werden uitgevaardigd waarin het verboden was om bedelaars iets te geven omdat je daarmee aantrekkingskracht ook weer oproept. Ook in het graafschap Buren en dus ook in Buurmalsen zoals je in de afbeelding ziet uit 1649. Maar tussen de wet en het gedachtegoed van dorpelingen stonden grote bezwaren. De dorpelingen dachten immers zoals gezegd dat zij morgen de klos konden zijn. En stond er niet in de bijbel dat je goed moest zijn voor je naaste? Heb je naaste lief.

Er waren speciale functionarissen om bedelaars op te pakken zoals de landdrost Bartholomeus van Buren. Gevangen bedelaars werden gestraft met: geselen, brandmerken, verbanning, de schandpaal of naar de galeien. Vaak werd de verbanning vergezeld van een extra straf maar die werd in de praktijk zelden uitgevoerd. Sommige bedelaars waren wat hardleers en keerden toch weer terug. En werden opnieuw verbannen. De kroon vormt wel ene Trijn Pieters uit Maassluis die, nadat ze 10 x was verbannen en steeds weer terugkeerde, uiteindelijk werd terechtgesteld.

We zagen dat Trijntje niet mocht gaan bedelen want dat was verboden. Kerk en overheid stonden afwijzend ten opzichte van bedelen en landlopen. Men vond dat iedereen hoofd en handen moest gebruiken om zelf de kost te verdienen. Gebrekkigen, bejaarden en andere werklozen buiten hun schuld moesten niet gaan bedelen maar leven van de milddadigheid van de rijken, ook al was die misschien niet eens toereikend. Kerkelijke en wereldlijke armenzorg hadden de plicht in het levensonderhoud van alle behoeftigen te voorzien. Daartegen over stond dat armen verplicht waren om daarvan gebruik te maken en daar dankbaar voor te zijn, hoe gering ook misschien de gaven waren. Bedelen was daarmee een openbare zonde volgens de toenmalige kerkelijke opvattingen.
Moedwillige zondaars werden niet toegelaten tot het avondmaal maar mochten wel de kerk bezoeken.
Terug naar onze Trijntje. Zij gaat in 1622 in Buurmalsen naar de armenmeesters van het Heilige Geestfonds. Laten we eerst eens kijken naar dat fonds zelf. Hoe bij voorbeeld kwam dat fonds aan zijn naam?

Heilige Geestfonds
In de 12e eeuw werd in Frankrijk een broederschap opgericht met de naam Heilige Geest. Een broederschap is een kerkelijk goedgekeurde vereniging van leken met een godvruchtig doel, zoals het beoefenen van bijzondere werken van vroomheid of naastenliefde, in dit geval om de nood van de armen te verlichten.
Dat vonden inwoners van andere plaatsen een goed idee en van lieverlee werden overal fondsen opgericht om de armen te ondersteunen. En gaandeweg is de aanduiding van de broederschap een naam geworden voor veel plaatselijke stichtingen die niets meer met een kerkelijke broederschap van doen hadden. Het werd een merk zouden wij nu zeggen zoals Aspirine ook een soortnaam werd. De bestuurders noemde men Heilige Geestmeesters.

In ons gebied waren Heilige Geestfondsen o.a. in Tiel, Culemborg (Heilige Geestmeesters en een gasthuis voor de armen), Zaltbommel (Heilige Geestfonds in verband met het gasthuis), Rumpt, Beesd (Heilige Geesthuis, later Grote Armen), Tricht en Buurmalsen. Vermoedelijk bestond een Heilige Geestfonds in meer plaatsen maar de vraag is of dat archiefmateriaal bewaard is gebleven. Misschien ligt dat nog bij iemand thuis op zolder … Niet weggooien!
De benaming Heilige Geestfondsen riepen weerstand op bij de nieuwe Nederduits Gereformeerde gemeente maar ja, ze waren nu eenmaal ingeburgerd en verder stoorde niemand zich aan de naam. De Heilige Geestmeesters hadden de gehele armenzorg onder hun hoede, ongeacht de kerkelijke gezindte van de armen.

Waar kwam hun geld vandaan? Oftewel wat waren de inkomsten:
•  Opbrengsten van goederen, meestal oude bezittingen die geschonken waren;
•  Soms ontving men een bepaald percentage van de belastingen;
•  Soms collecten huis aan huis;
•  Schenkingen;
•  Soms werden liefdadigheidsloterijen georganiseerd voor b.v. de wezen.

Welke steun werd verleend?
Armenfondsen verleenden meestal steun in de vorm van geld, voedsel, turf en kleding. Er werd nauwelijks gezorgd voor een vorm van werkgelegenheid om de armen te helpen uit die armoede te komen, althans dat is niet in de bronnen van Buurmalsen terug te vinden.
Heilige Geestmeesters letten nauwelijks op de kerkelijke gezindte van de armen maar wel of het inwoners waren van eigen dorp of stad. Zo waren er ook katholieke Heilige Geestmeesters. Die werden overigens door de nieuwe religie met wantrouwen bekeken: “zij besorgen de kercken niet wel en begunstigen ’t Pausdom”.

De armenmeesters in het Graafschap Buren werden benoemd door de graaf van Buren, in de praktijk meestal door zijn plaatsvervanger, de drost of drossaard genoemd.
Naast de armenmeester benoemde de graaf ook o.a. predikanten, schoolmeesters, kerkmeesters en kosters. Alles liep een beetje door elkaar heen maar dat was voor een 17e eeuwer niet iets om vreemd van op te kijken of je druk om te maken. Zo waren er gereformeerde kerken met katholieke kerkmeesters (benoemd door de heer of namens die door b.v. de schout), kosters en dus ook Heilige Geestmeesters. En zo kende men ook schoolmeesters of voorzangers in de kerk die geen lidmaat waren zoals Hermannus Praetorius in Tricht.
Regelmatig werden collecten gehouden in de Nederduits Gereformeerde kerken, ook ten behoeve van het wereldse Heilige Geestfonds. Overigens is uit de rekening van 1622 in Buurmalsen niets daarvan gebleken.
Omdat de inkomsten niet onbeperkt waren, moesten de armenmeesters zichzelf ook beperkingen opleggen in de uitkeringen. Hoewel, soms zien we dat er jaren van grote overschotten zijn en maakte men in feite winst. Het armenfonds in Zoelen bij voorbeeld had in 1621 53 gulden uitgegeven aan steun maar ontving 87 gulden aan inkomsten, een winst van 34 gulden dus, bijna 40%.
Armen bedachten allerlei oplossingen om aan steun te komen. Zo gingen ze van dorp naar dorp voor een uitkering. Ze vroegen eerst om een attestatie zodat ze konden bewijzen dat ze lidmaat waren en geld van de diaconie ontvingen in elke plaats waar ze langs kwamen. In de synode van Emden van 1571 werd al geklaagd over de reislust van armen.

Archief
Het archief van het Heilige Geestfonds in Buurmalsen is met hiaten bewaard gebleven vanaf 1590 tot de opheffing in 1947. Het werd toen overgenomen door de gemeente Buurmalsen die vond dat zij dat beter kon doen. Wij mogen heel blij zijn met dit archief want in heel veel plaatsen is dat niet bewaard gebleven. Het gedeelte van vóór 1810 werd in 1994 teruggevonden in het Rijksarchief in Arnhem tussen andere archiefstukken. Wanneer het fonds van start ging is nog niet bekend. We komen midden 16e eeuw ook vermeldingen tegen van Heilige Geestmeesters in Buurmalsen.
De rekening van 1622/1623 is getranscribeerd en een index op gemaakt. De looptijd van de rekening beliep een jaar. Men begon op Petri ad cathedram (22 februari) 1622 en eindigde op 21 februari 1623.
Het archief berust bij het Regionaal Archief Rivierenland in Tiel waar u het zelf in kunt zien!

We schrijven 1622
Het Twaalfjarig bestand met Spanje is zojuist afgelopen en alle partijen bereiden zich voor op hervatting van de vijandelijkheden. Frederik Hendrik trekt met zijn leger door Brabant. In 1621 is in het verre Indië de stad Batavia gesticht. Hugo de Groot is ontsnapt uit Loevestein door middel van een boekenkist.
Herfst 1621 gaat het langdurig regenen waardoor de velden lang onder water staan. Daardoor moeten de koeien vroeg op stal. Medio december is het streng gaan vriezen en het winterweer houdt twee maanden aan. De grote rivieren maar ook de Zuiderzee vriezen helemaal dicht. Half februari 1622 draait het weer om en ontstaan overal overstromingen en ijsgang. De Spanjaarden belemmeren de scheepvaart op de rivieren en kapers uit o.a. Duinkerken zorgen voor grote schade aan onze handel en visserij.

Het is 1622.
In Buurmalsen heeft Trijn Verdingh het niet gemakkelijk. Ze kan niet rondkomen en moet een beroep doen op de armenkas van het dorp, het Heilige Geest fonds. In de bewaard gebleven rekening over 1622/1623 komen we haar regelmatig tegen. Hier de titel van de betreffende rekening uit 1622:

Soms krijgt ze tien stuivers, dan weer twaalf. En dan weer  zes. Maar naast geld krijgt ze ook voedsel: een paar keer een halve schepel rogge. Ook ontvangt ze een voeder turf. En één keer ontvangt ze een paar schoenen ter waarde van 1 gulden en 2 stuivers. In totaal ontvangt zij in het jaar 1622 in 15 keer een bijdrage in geld of natura tot een totale waarde van ruim 14 gulden.

Het begin van de rekening:

Rekening en bewijs voor Maes Henricks vanwege de heer drossaard van dit Graafschap Buren gestelde Heilige Geestmeester te Buurmalsen van zijn administratie en diensten.
Landpachten, thijnsen en anders in den jaere 1622 bis tot Petri ad cathedram anno 1623 ontvangen en (hetgeen hij daarvan gedistribueerd en uitgegeven heeft).

De uitgaven van het fonds aan de armen in deze periode bedroegen volgens de rekening ca. 245 Carolusgulden en 3 schepel “weijts”. Afgezien van de waarde van de weijts is aan Trijn dus ca 6 % van de uitgaven besteed. Ze was duidelijk behoeftig. Maar was zij nu relatief behoeftiger dan andere inwoners van Buurmalsen?
Als we de rekening van 1622/1623 nader bekijken vallen een paar namen op die regelmatig terugkeren. De meest voorkomende personen die een uitkering ontvingen zijn:
Naam                             aantal keren uitgekeerd          totale uitkering
Gijsbert Roeloffss                      10 x                                 ƒ 22:18: 0
Henrick Janss                             16 x                                 ƒ 22:14:10
Reusken Jans                              15 x                                ƒ 15:14: 0
Trijn Verdingh                            15 x                                ƒ 14:11: 2
Jan Peterss van Hoeij                12 x                                ƒ 13:  1: 8
Lijsken Jans                                  5 x                                 ƒ 12:  8: 4
Evert Hack                                   12 x                                ƒ 10:11: 4
Magdalena Jans                           9 x                                ƒ   9:  7: 8

Deze acht personen ontvingen samen ƒ 121:7:0, oftewel ca 50% van alle uitgaven aan de armen van dat jaar.

Naast Trijn waren er nog meer personen met een uitkering. Over de gehele periode van 1622/1623 kwamen eenentwintig dorpsgenoten in aanmerking voor een uitkering uit het Heilige Geestfonds. Dertien personen kregen dus samen de andere helft. Op basis van de totale uitkeringen  komen we tot deze verdeling: 50% van de uitgaven ging naar 8 vaste klanten, totaal 121 gulden. 13 andere dorpelingen kregen samen 26%, 63 gulden.
15 langstrekkende personen ontvingen in totaal 3 % (7 gulden) en ja, er waren ook overheadkosten zoals de armenmeester die 3 gulden kreeg. Bij deze post heb ik ook gerekend een grote uitgave van ruim 31 gulden betaald aan schepen Ouwen Thoniss voor gehaald laken en anders. Gedistribueerd aan de armen.
Je kunt je nu de vraag stellen hoe arm de bevolking in Buurmalsen nu was? Als je praat over 21 personen in bij voorbeeld de stad Utrecht is dat heel anders dan op het dorp Buurmalsen. Dus wordt het tijd voor de vraag hoeveel mensen rond 1622 in Buurmalsen woonden.

Hoeveel mensen woonden in Buurmalsen in die tijd?
Op de kaart van Hattinga met de situatie van 1644 kunnen we globaal het aantal huizen in Buurmalsen tellen.

Dit is een gedeelte van de kaart gemaakt door Hattinga naar de situatie van 1644 (Origineel Gelders Archief Arnhem)
Al tellende kom ik uit op ca. veertig huizen dan wel boerderijen exclusief het buitengebied. In Voetnoten van de historische vereniging in Culemborg kwam ik in de jaargang 1991 een interessante vergelijking tegen: in 1770 telde de stad 673 huizen en 2975 inwoners. Het buitengebied telde nog 66 huizen met 354 inwoners. In de stad dus 4,4 inwoners gemiddeld per woning, in het buitengebied 5,3.
Natuurlijk is het de vraag of je deze cijfers mag vergelijken met anderhalve eeuw eerder voor Buurmalsen maar ik heb geen betere. Als we voor Buurmalsen gemiddeld uitgaan van 5 inwoners per woning/boerderij, dan bedroeg het inwoneraantal in 1644 ca. 200 personen.
Stel dat die situatie al in 1622 hetzelfde was. Met 21 dorpsgenoten in behoeftige omstandigheden komen we dan op ruim 10% van de bevolking die ondersteuning behoefde.
Overigens hoeft het niet altijd armoede geweest te zijn want ook mensen die gehandicapt raakten door bij voorbeeld een ongeluk of ouderen die niet meer in staat waren om voor zichzelf te zorgen zullen vermoedelijk hebben aangeklopt bij de Heilige Geestmeesters.

Hoe kwam het armenfonds aan zijn geld?
Terug naar ons Heilige Geestfonds. Om uitgaven te doen moet je inkomsten hebben. Uit de rekening blijkt dat er in die tijd drie bronnen waren van inkomsten: pachten, tijnsen en renten.
Om b.v. landerijen te kunnen verpachten moet je die landerijen in eigendom hebben of daarvan het pachtrecht in bezit hebben. Dat eigendom verkreeg het Heilige Geestfonds in de vorm van schenkingen.

Eerst maar weer een grafische weergave van die inkomstenbronnen.
Schenkingen zijn daar niet in meegenomen. Ze kwamen af en toe voor met een speciale acte. Pas na de schenking ging deze geld opleveren en die inkomsten kwamen wel in de rekening terecht. De pachten vormen met 90% de grootste bron, 225 gulden. Dan de renten met 6% of 15 gulden en tot slot de tijnsen met 9 gulden of 4%. In totaal dus 249 gulden aan inkomsten. Even een korte toelichting op deze begrippen:

Tijnsen
Jaarlijkse betaling in geld of natura aan de (grond)heer. Tijnsrecht is een heerlijk recht. Staat dus los van de pacht etc.

Renten
Vergoeding ontvangen voor het uitlenen van geld.
In de armenrekening van Buurmalsen 1622/1623 bedroeg het rente-percentage steeds  6%.
Een korte toelichting op de begrippen pachten, tijnsen en renten.

Pachten
Lijken op huur. Tegen pachtgeld mag de pachter het gepachte gebruiken gedurende de duur van de pachtovereenkomst. Pachttermijn vaak 6 jaar.

Maar waarom werd er geschonken en door wie? We kennen allemaal wel Bill Gates en andere superrijken die een deel van hun vermogen besteden aan goede doelen. Enkele redenen volgens Van Leeuwen waren:
•  om de sociale orde te handhaven,
•  om onrust te voorkomen,
•  het verheffen van de armen,
•  om de eigen status te verhogen,
•  voor het eigen zielenheil.

Dat laatste vraagt om een nadere toelichting. In vroeger tijd geloofde men dat schenken aan goede doelen zoals aan de armen zou helpen bij de bevrijding van de ziel van alle zorgen en beklemming na de dood. Dat schenken gebeurde vooral door de elite omdat die bezit had. Mogelijk kwam je door het schenken ook eerder in aanmerking voor de meer lucratieve functies in het dorp: ter bevordering dus van de eigen carrière.
Zo schonken Peter Adriaensz Trugernyet en Gerard Jansdochter in 1589 aan de Heilige Geestarmen van Tricht een jaarrente op een stuk land in Tricht. Landerijen en hofsteden werden dus aan het fonds geschonken. Deze kon het armenfonds na de schenking telkens voor een periode (meestal 6 jaar) verpachten om zo aan inkomsten te komen. Als er bezittingen werden geschonken waarop tijnsrecht rust, ging dit tijnsrecht soms ook over naar het armenfonds. Tot slot werd ook geld geschonken waardoor het vermogen van het fonds toe nam. Dat kon je als fonds weer uitlenen of er grond van kopen om dat vervolgens weer te verpachten. Zo bracht het vermogen van het armenfonds geld op om uitkeringen te kunnen doen.

“Vreemde” kostgangers
We spraken niet voor niets over 21 dorpsgenoten. 21 personen die met naam genoemd worden in de rekening. Plaatsgenoten kregen eerder hulp boven streekgenoten of anderen: het hemd is nader dan de rok. Maar ook buitenstaanders klopten aan op doorreis. Er komen namelijk ook 15 personen voor zonder een persoonsnaam. Soldaten, schamele vrouwen en schamele mannen. Al deze mensen worden zonder persoonsnaam vermeld in de rekening. We nemen aan dat zij daarom geen dorpsgenoten waren want anders was hun naam wel in de rekening opgenomen.
De meest bijzondere steuntrekker was een Luthers predikant die op verzoek van de dominee van Buurmalsen Henricus Vogelius 15 stuivers kreeg ‘hebbende goet bescheijt van zijn comportement [gedrag, leefwijze] ende zijnde verdreven om ’t geloove’. Het lijkt er op dat geloofsverschillen in onze streek toen niet zo zwaar genomen werden als wij nu misschien denken.

Een heel bijzondere persoon?
Twee keer komen we een uitkering tegen, bestemd voor een “zeecker persoon”. Eerst van 4 gulden en later twee schepel rogge en drie spint erwitten. Iemand (of twee?) die vermoedelijk goed bekend was/waren maar waarvoor de armlastige situatie mogelijk een schande betekende? Dit staat er in de rekening:

Noch is bij hem rendant gegeven aen zeecker persoon wiens naem om redenen niet genoempt en wort; 4 gulden.[fo. 11v]
Noch gegeven aen seecker persoon bij goede kennisse van verscheijden nabueren twee schepell roggen ende drije spint erwitten daer over alhier is comende 5 gulden 3 stuivers.[folio 14]

Pachters en grondprijzen
Wie waren in het dorp in 1622/1623 de belangrijkste pachters van de beschikbare landerijen en hofsteden? Gemiddeld bedroeg de te pachten oppervlakte 6,6 hont. De volgende pachters zitten daar op of duidelijk boven en mogen we rekenen tot de grote pachters:
•  Aert Willems pacht 1 morgen op de Lage Spijck genaamd de Gorsacker
•  Aert Corneliss pacht 2 morgen aan de Groeneweg
•  Anthonis Henricxss Verweij pacht 20 hond in de Bullick
•  Cornelis Janss de Keijser pacht diverse stukken land voor in totaal 18 hond:
7 hond over de Schoorgraaf;
10 hond in de Nieuwe Slag;
1 hond aan de dijk tegenover de panoven.

In totaal telden we 16 pachten waar geld mee gemoeid was. Er komen nl. ook pachten voor die pro memorie zijn. Soms omdat het land verlaten was (te nat?) en soms omdat de pachtpenningen oninbaar waren. En we zien hier ook de panoven opduiken. Tegenover houdt mogelijk in: aan de andere kant van de Linge bij Geldermalsen.

Wat opvalt zijn de verschillen tussen de pachtprijs van b.v. land bij de Schoorgraaf (1,4 gulden per hond) en de Achterste Bieshaar met 6,4 gulden per hond. Lag het land bij de Schoorgraaf lager en dus vaak onder water? Of zoals een van de aanwezigen tijdens de lezing suggereerde: was het land bij de Achterste Bieshaar en bij de panoven juist heel waardevol omdat daar de klei uit gehaald werd voor die panoven?

Veldnamen en gebouwen
En daarmee zijn we beland bij een ander gegeven dat je uit de rekening kunt halen: veldnamen en  gebouwen. We komen tot de volgende lijst:

Achterste Bieshaijr
Achterstraat
Armen Campken
Armenhofstede
Bieshaijr
Broeksteeg
Bullick
Costerijenacker
Craijesteijn (Tricht)
Gemeen straat
Gijskens berch
Gorsakker
Hencxste land
Hoogen Spijck
Leegen Spijck
Nieuwen Slach
Ouden A
Pan oven
Pastorije
Roesters Campken
Schoolhuijs
Schoorgraeff
Slimme Pooten
Treef
Vincken Campken
Vrouwen huijsken
Wijndt molen

Het zou fantastisch zijn als we (met een werkgroep?) in staat zijn om de ligging van deze veldnamen en gebouwen weer te reconstrueren! Je zou zo een prachtige vergelijking kunnen maken met de kadastrale kaart van 1832 die Helma Schouten heeft gemaakt. In het tijdschrift Pasqualini heeft toenmalig archivaris Ron van Maanen ook veel veldnamen gegeven uit Buurmalsen en Tricht. En niet in de laatste plaats een prachtige bron: de leenregisters van de heer Kort. Kortom, er is nog genoeg te onderzoeken!

Beroepen
Ook een interessant gegeven: Welke beroepen komen we tegen in deze rekening? Vaak staat de persoonsnaam er bij: een prachtige bron voor genealogen!
Armenmeester (Maes Henricxss)
Drossaard (Jr Philips van Steelant)
Gerichtsbode
Heilige Geestmeester
Luthers predikant
Predikant (Henricus Vogelius)
Schepenen (Thomas Gerritss van Zoelen, Aert Gerritss en Ouwen Thoniss)
Scholtis (schout)
Schoolmeester
Secretaris
Smid
Soldaat
Substituut scholtis
Timmerman

Prijzen van voedsel etc
Ook interessant. Wat we tegen komen zijn de volgende voedingsmiddelen en kleding met hun waarde in de rekening. Geweldig dat we zo iets meer te weten komen van een aantal prijzen uit die tijd. Nuttig voor ander onderzoek!

Weijts (oude naam voor tarwe)
1 schepel weijts kostte soms 2 gulden en 10 stuivers en een andere keer 3 gulden.

Rogge:
1 schepel rogge kostte 2 gulden 2 stuivers en 8 penningen en soms 2 gulden en 8 penningen en dan weer 2 gulden en 15 stuivers.
Lijkt lokaal verbouwd te worden. Omdat het typisch een graansoort is voor de zandgrond is het mogelijk dat dit gewas vooral op de stroomruggen verbouwd werd. Of was het gewas in die tijd wel goed bruikbaar op kleigrond?

Erwten:
1 spint erwten kostte 6 stuivers. 1 schepel erwten was 1 gulden en 4 stuivers. 1 schepel was dus gelijk aan vier spint.

Ertige bonen (van meerdere kanten werd gemeld dat dat vermoedelijk capucijners zijn):
1 schepel kostte 24 stuivers

Garstige haver (oude variant van haver, meer gerstvormig?):
1 schepel kostte 18 stuivers

Torf (turf):
1 voeder turf kostte 6 gulden

Schoenen:
Een paar mannenschoenen kostte 1 gulden en 10 stuivers.
Vrouwenschoenen waren 1 gulden en 2 stuivers. Kleinere voet? Mindere kwaliteit? Andere schoenmaker? Ander materiaal?

Muijlen (schoen in de vorm van een slof die de hiel onbedekt laat)
Voor een vrouw: 1 gulden 10 stuivers.

Hemden:
een paar hemden (het aantal is niet gegeven) kostte 3 gulden en 12 stuivers.

Maten en gewichten
In de rekening komen we ook diverse maten tegen die we nu niet meer gebruiken. We zagen al de schepel. Lastig is dat maten en gewichten per streek konden verschillen, soms zelfs op enkele km afstand! Wikipedia en andere opgaven in boeken hebben dan ook maar beperkte waarde voor ons.

Morgen
De morgen in het Graafschap Buren bedroeg 6 hond en was ongeveer 8300 m²  aldus een opgave van de inmiddels overleden Jan van de Koppel.

Schepel
Een schepel is een oud-Nederlandse eenheid voor het aangeven van de inhoud. Maar hoe groot was een schepel bij ons? Ons lid Jan Hoogendoorn uit Maurik heeft nog een schepel uit de Betuwe. Zie bijgaande afbeelding. Als we de inhoud kennen en daarmee het gewicht aan rogge kunnen we ook uitrekenen hoeveel roggebrood daarvan gebakken kon worden.

Spint
Een spint of kop is een oud-Nederlandse eenheid voor het aangeven van de inhoud van droge waren, zoals graan. Vier spint is tezamen een schepel. Dus als de schepel b.v. 40 liter was, is een spint 10 liter.

Voeder (voeier)
Een voeder is een wagenvracht ofwel zoveel als door één paard op een kar getrokken kan worden, hoeveelheden en gewichten verschillen daardoor afhankelijk van het product. Hiervoor werd de stortkar gebruikt als maat.

 

 

 

Geld
De rekening werd opgemaakt in Carolusgulden. Geslagen onder het bewind van Karel V. Vandaar de naam. De Carolusgulden had een waarde van 20 stuivers. En een stuiver had een waarde van 12 penningen. Er komen naast de Carolusgulden nog twee andere munten voor: de Philippusgulden en een Oude Schilt. Ten eerste de Phillippusgulden. Geslagen onder het bewind van Filips II. Die blijkt in de rekening een waarde te hebben van 1 Carolusgulden en 5 stuivers.
De Schilt was in vroeger tijd een wijdverbreide gouden munt met daarop een afbeelding van een schild, vandaar de naam. Vermoedelijk door zijn ouderdom inmiddels Oude Schilt genoemd. De waarde bedroeg volgens de rekening van Maes Hendrixcss 2 Carolus gulden en 2 stuivers. Er was nog geen sprake van een eenheidsmunt laat staan van een Euro!

Rekenfout?
Een handicap bij de beoordeling van de financiële gegevens is een verschil in bedragen in folio 2 verso. Als je de gegeven pachtopbrengsten bij elkaar optelt kom je aan 86 gulden. Het totaal dat Maes Henricxss geeft op die pagina vermeldt echter 68 gulden, een verschil dus van 18 gulden. Bewust? Per abuis? We weten het niet. Bij de bedragen die we in de rekening gebruikt hebben, hebben we ons gebaseerd op het bedrag van 86 gulden.
Verderop maakt hij nog een kleine optelfout. Ook die hebben we gecorrigeerd zodat de totale inkomsten niet 236 gulden 7 stuivers en 3 schepel weijt bedroeg, maar 249 + 3 schepel weijt omgerekend 256 Carolusgulden en 10 stuivers.
De uitgaven bedroegen in totaal 245 gulden 19 stuivers en 2 penningen en 3 schepel weijt. Omgerekend met de weijt komen we dan op 253 gulden 9 stuivers en 2 penningen.
De rekening sloot dus eigenlijk af met een positief saldo van bijna 4 gulden.

Trijn Verdingh
Nog even terug naar onze Trijn Verdingh. Wat kunnen we nog meer over haar te weten komen? Helaas zijn de belangrijkste genealogische bronnen van Buurmalsen pas bewaard gebleven vanaf 1667 zodat we de gezinssituatie van Trijn en de anderen niet eenvoudig kunnen reconstrueren. Omdat ze steeds individueel als persoon wordt genoemd, was ze vermoedelijk niet (meer) getrouwd. Ook haar leeftijd kennen we niet. We moeten helaas ook gissen naar de omstandigheden waaronder zij moest leven.
De volgende bewaard gebleven rekening na 1622/1623 beslaat de periode februari 1629/1630. Daarin wordt zij niet genoemd. Is ze overleden? Verhuisd? Rijke man getrouwd zodat haar omstandigheden sterk verbeterden? Door gebrek aan bronnen kunnen we dat helaas niet nagaan.
Tot nu toe zijn we de familienaam Verdingh nergens tegengekomen in de archieven in de regio zodat we eventuele familieleden niet kunnen traceren. Wel trouwt een Agnieta Verdingh in 1648 in Wijk bij Duurstede maar of dat familie is?

Tenslotte
Het is een hele ontdekkingsreis geworden naar een klein stukje dorpsleven uit onze streek, bijna 400 jaar geleden. En wat een wonder wat je uit die paar bladzijden voor informatie kunt halen!
In een artikel over de armenzorg in vroegmodern Nederland heeft  A. de Swaan het begrip ‘free riders’ geïntroduceerd. Hij bedoelde hiermee mensen, die van stad naar stad trokken om zonder tegenprestatie van de plaatselijke armenzorg te profiteren. Steden zouden dan ook een minimale armenzorg aanbieden om maar zo min mogelijk gelukszoekers aan te trekken. Volgens De Swaan werd dit probleem pas opgelost bij de centralisering van het bestuur van Nederland en van de armenzorg, vanaf 1813. Zouden ook in Buurmalsen deze ‘free riders’ zijn voorgekomen?

Natuurlijk blijven er vragen genoeg over: zo hebben we nog niet alle stukken land kunnen traceren en zou je meer willen weten van de omstandigheden van sommige dorpsbewoners. Maar ook blijft de vraag of Buurmalsen nu meer armen telde dan andere dorpen in de omgeving. Was het fonds rijker of armer dan in andere plaatsen? Een mooi onderzoek als van die dorpen de armenrekeningen uit dezelfde periode beschikbaar zijn! Iets voor een werkgroep?

Martin IJzerman

Gebruikte bronnen
Regionaal Archief Rivierenland Tiel
Toegang 2041 Armenrekeningen Buurmalsen inventarisnr 119

Nationaal Archief Den Haag
1.08.11 Nassause Domeinraad vanaf 1581 invnr 1759 Registers van plakkaten

1.08.11 Nassause Domeinraad vanaf 1581 inventarisnr 2506 Akte van schenking van een jaarrente, gevestigd op een stuk land in Tricht, door Peter Adriaensz Trugernyet en Gerard Jansdochter aan de armen van Tricht. Charter.

Gelders Archief Arnhem
Kaart Graafschap Buren (Hattinga 1644)

Voetnoten (Historische vereniging Voet van Oudheusden Culemborg 1991)

Buisman, J, Duizend jaar weer wind en water, deel 4, Franeker 2010

Deursen, A.Th. van, Mensen van klein vermogen, Amsterdam 1992

Deursen, A.Th. van, Bavianen en Slijkgeuzen, Franeker 2010

Groenveld e.a., S., De Tachtigjarige Oorlog, Zutphen 2012

Leeuwen, M.H.D. van, Sociale Zorg (Cahiers voor Lokale en Regionale Geschiedenis), Zutphen 1994

Swaan, A. de, Zorg en staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd, Amsterdam (2004)